Oostindie en Klinkers presenteren “Gedeeld Koninkrijk”
Geschreven door Administrator donderdag 15 december 2011 17:07
VIA zette staatkundig proces op het spel. Oostindie pleit voor wetenschappelijke en cultuur-historische samenwerking in het Koninkrijk

Prof. Gert Oostindie (KITLV) en dr. Inge Klinkers (AUP) hebben op donderdag 15 december 2011 het boek Gedeeld Koninkrijk. De ontmanteling van de Nederlandse Antillen en de vernieuwing van de trans-Atlantische relaties gepresenteerd in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag.
Gedeeld Koninkrijk is geschreven in opdracht van de directie Koninkrijksrelaties (ministerie van BZK). Het boek beschrijft en analyseert het proces van de ontmanteling en geeft een ‘kijkje in de Nederlandse keuken’. Het Antilliaanse perspectief komt indirect aan de orde.
Op verzoek van premier Mike Eman (Aruba) is gekozen voor een niet al te zware titel. Gedeeld Koninkrijk refereert naar 1) de opdeling tussen een Caribisch en een Europees deel in het Koninkrijk, 2) de immateriële en materiele verdeeldheid in het Koninkrijk en 3) de gemeenschappelijkheid: het Nederlands burgerschap. In zijn presentatie put Oostindie hoop uit het laatste: verdieping en positieve binding.
Oostindie vertelt dat de uitkomst van het proces anders was dan Den Haag had verwacht: geen onafhankelijkheid van de zes eilanden wat ooit de bedoeling was. De reden hiervoor was het precedent van Aruba (status aparte) en het feit dat Sint Maarten in 2000 in een referendum koos voor de status van Land binnen het Koninkrijk.
Bij de spelers rondom de ontmanteling heerst volgens Oostindie een gevoel van ‘we zijn er samen uitgekomen’. Aan de zijlijn echter heerst er met name in Curacao een ander gevoel: premier Schotte spreekt van een ontoelaatbare inbreuk op de autonomie en volgens de BES-eilanden is de integratie met Nederland opgelegd door Den Haag.
Binnen het beleid met betrekking tot de eilanden is het voor Den Haag van belang om problemen in de Koninkrijksrelaties te minimaliseren. Continu echter duiken problemen op als criminaliteit van Antilliaanse jongeren, de bestuurlijke en geografische risico’s en het economische en migratievraagstuk. De assymetrie (macht, welvaart en bevolkingsomvang) tussen de Koninkrijkspartners is een probleem. Irritaties zijn volgens Oostindie inherent aan de Koninkrijksrelaties.
Donner
Minister Donner geeft in een reactie aan dat hij niet weet of ‘ontmanteling’ de juiste term is; veelal zou hij spreken van transformatie, of hervorming. “Continuiteiten moeten we niet uit het oog verliezen. Door het proces is Nederland veel dichter op de eilanden dan ooit het geval was in de Nederlands-Antilliaanse staatsstructuur. Nederland is daarnaast een Caribisch land geworden.” Volgens Donner heeft de Koninkrijksconferentie (dd. 14 december 2011) opgeleverd dat de vier Landen hebben geconcludeerd dat 1) het Koninkrijk van belang is, 2) het Koninkrijk een meerwaarde biedt, 3) samenwerking is het belang is van welvaart en welzijn van ieder van de volkeren en 4) de Landen zich hebben gecommitteerd om deze boodschap uit te dragen in hun eigen Parlementen en aan hun eigen burgers. “Het staatsrechtelijk verband is als een Zwitsers zakmes: elk mes kan je anders gebruiken, maar het gaat er om hoe je het gebruikt. We moeten nu leveren hoe je het proces moet gebruiken”. Volgens Donner moet de liefde van twee kanten komen. Er is sprake van een transformatie en van een keerpunt. De discussie nu is niet hóe we verder uit elkaar gaan, maar hoe we een positieve invulling geven aan de banden. “Als we dat niet doen, moeten we oppassen dat het niet Gone with the wind wordt, “ aldus de minister.
Eugène Holiday
Gouverneur van Sint Maarten Eugène Holiday geeft aan dat het boek van belang is voor de politici van de eilanden: “Leer je onderhandelingspartners kennen en begrijpen”. Holiday gaat in zijn beschouwing in op de achtergrond van de ontmanteling, het verloop, het resultaat van het proces en de toekomst van het Koninkrijk. Volgens hem was de voortzetting van “Curaçao en Onderhorigen” een historische fout en gedoemd te mislukken. Het centraal bestuur vanuit Curacao gaf al lang onvrede. Volgens hem is het vreemd hóe ongevoelig Nederland was om door te gaan met bestuurlijke centralisatie op Curacao voor de rest van de eilanden. Hij geeft als voorbeelden nu één politiekorps, één Openbaar Ministerie en één Procureur-generaal. De gevolgen daarvan zijn marginalisering van de overige eilanden: bestuurlijk en financieel.
Opvallend aan het boek vindt Holiday dat deze begint en eindigt met het onafhankelijkheidsvraagstuk. Met dit huidige onderhandelingsresultaat is het niet mogelijk om uit elkaar te vallen, zegt Holiday. Hij pleit ervoor om tevens een onderzoek te starten naar het Sint-Maartense perspectief van de ontmanteling van de Nederlandse Antillen. “Wie schrijft, die blijft”.
Panel
Een panel, bestaande uit Ersilia de Lannooy (Curaçao, ex-minister van financiën), Wil Johnson (nestor van de Sabaanse politiek), Ank Bijleveld (ex-minister voor Koninkrijksrelaties), Eugene Holiday en Gert Oostindie sloten de middag af onder leiding van moderator Tanja Fraai. Volgens De Lannooy was het belangrijkste punt voor de Nederlandse Antillen/Curaçao de schuldsanering, ‘veel belangrijker dan de rest’. Oostindie attendeert op de ‘hopeloze verdeeldheid’ op Curaçao ten aanzien van de relaties met Nederland. “Sint Maarten, Aruba en Nederland zijn tevreden, de huidige regering van Curaçao is ontevreden. (…) Niet alleen het Koninklijk Huis, maar vooral de demografie – 40% van de Curaçaoënaars woont in Nederland – zijn van invloed op de bestendiging van de banden”. Bijleveld geeft aan dat er ‘méér is dat ons bindt’: “we moeten hiervoor meer ons best doen. Het is afhankelijk van mensen en inzet. De belangstelling is niet groot genoeg, ook het politieke klimaat werkt niet mee. We moeten elkaar waarde erkennen, zoals Mike Eman zei. Als voorzitter van “200 jaar Koninkrijk” heb ik de gevolmachtigde ministers gezegd dat ik het Caribisch deel van het Koninkrijk graag wil betrekken bij de activiteiten. “ De Lannooy zegt tenslotte: “We hebben één doel binnen het eigen Koninkrijk blijven, maar toch op eenieder op een eigen manier. We hebben niet helemaal wat we wilden, maar we zijn realistisch. Dit is een eerst stap, dan gaan we verder. Samen komen we tot iets waar we ons in kunnen vinden. Gert Oostindie sluit af met een pleidooi voor wetenschappelijke en culturele samenwerking in het Koninkrijk. “We kennen een gemeenschappelijk cultureel erfgoed waarin Brazilie, Sri Lanka, Suriname etc. in particperen, maar wie niet? De voormalige Nederlandse Antillen. Dit is bizar. Binnen het Koninkrijk moet wetenschappelijke en culturele samenwerking – waaronder historisch onderzoek – worden gefinancierd. Op een volgende Koninkrijksconferentie zou dat aan de orde moeten komen.”
VIA
In het hoofdstuk over Instituties, spelers, dossiers wordt in de paragraaf over Permanente dossiers: migratie het kwestie rondom de Verwijsindex Antillianen (VIA) genoemd als een omstreden onderdeel. De auteurs schrijven hierover (p86): “Nog meer emoties zouden de plannen voor een Verwijsindex Antillianen (VIA) oproepen. Op verzoek van de Antillianengemeenten had Verdonk in het derde kabinet-Balkenende al plannen ontwikkeld voor het opzetten van een databank over Antilliaanse risicojongeren – noodzakelijk geacht omdat de onderlinge afstemming van de Antilliaanse en Nederlandse bevolkingsboekhoudingen weinig opleverde. Dit beleid werd voortgezet onder het volgende kabinet en kon rekenen op brede parlementaire steun en instemming van zowel het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) als de Raad van State. Toch zou na verhitte discussies ook deze VIA uiteindelijk worden afgeblazen. De afwijzing door de Antillen en door Antilliaanse organisaties in Nederland, aangevoerd door het Overlegorgaan Caribische Nederlanders (OCaN), was zeer heftig (‘rassendatabank’). Maar ook onder de Europees Raad ressorterende Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie (ECRI) oordeelde negatief over een mogelijke verwijsindex.
Aan de vooravond van de RTC van 15 december 2008 werd op BZK vastgesteld dat de ‘uiterst emotionele’ discussie over de VIA aan Antilliaanse zijde een bedreiging vormde voor de voortgang van het staatkundig proces, zozeer dat Bijleveld werd geadviseerd het kabinet, en in het bijzonder de inmiddels als minister voor WWI aangetreden Vogelaar (PvdA) en minister voor Jeugd en Gezin André Rouvoet (CU) te overtuigen de Verwijsindex (‘een bom onder de RTC’) van tafel te halen.
Bron: OCaN redactie.
