documentaire: “Curaçao”

Nieuws

Confronterende zoektocht naar het collectief verzwegen verdriet van Curaçao.

 

Curacao_film2

 

Sander Snoep, Sarah Vos, Nederland, 2010, kleur, HD, 75 

 

De documentaire "Curaçao" duikt onder in de Hollandse gemeenschap op de voormalige Nederlandse kolonie Curaçao. De Nederlanders lijken op het eerste gezicht weinig op te hebben met het eiland. Ze ontmoeten elkaar op feestjes en tijdens het golfen op de besloten resorts van Nederlandse projectontwikkelaars. De zwarte en witte eilandbewoners op Curaçao spreken elkaar nauwelijks. Hun noodzakelijke omgang blijkt uiterst stroef en gespannen. En bovenal zwijgzaam. Totdat een manager van de lokale Albert Heijn-vestiging zijn zwarte personeel en het witte management op een cursus stuurt met als motto "Waarom wil een Antilliaan geen leiding geven?" In de film wordt langzaam duidelijk dat de Nederlanders nauwelijks notie blijken te hebben van hun eigen aandeel in de geschiedenis op het eiland. En al helemaal niet van de verstrekkende gevolgen daarvan op de huidige samenleving. "Curaçao" legt daarmee de onaangename kanten bloot van het karakter van een handelsvolk dat altijd denkt als enige het juiste voorbeeld te geven.

 

Trail: http://www.youtube.com/watch?v=Zi1UbffgWKk

 

De documentaire ‘Curaçao’ is een registratie over de kloof tussen Nederlanders en Curaçaoënaars. De kloof tussen blank en zwart. Een interview met de makers, Sarah Vos en Sander Snoep.

door onze verslaggever Nelly Rosa. 15 maart 2011.

‘Curaçao’ is tijdens het IDFA festival vorig jaar in première gegaan. Hoe waren de eerste reacties?
Sarah: “De film heeft veel losgemaakt. Niet alleen bij de donkere Curaçaoënaars maar ook bij de Europese Nederlanders. De reacties gingen verschillende kanten op: boosheid, mensen voelen zich niet aangesproken. Sommigen vonden de documentaire ongenuanceerd. Maar er was ook opluchting. ‘Eindelijk een film over dit taboe’ en ‘In werkelijkheid is het nog erger’. Weinig mensen zijn bekend met de geschiedenis zoals in de film naar voren komt.”
Wat was de aanleiding voor de film?
Sander: “Sarah ging met vrienden op vakantie naar Curaçao. Ze had het paradijselijke Curaçao voor ogen, maar eenmaal aangekomen merkte ze een intense spanning tussen Nederlanders en de zwarte bevolking. Het verbaasde haar dat de twee bevolkingsgroepen volledig langs elkaar leven.”
Sarah: “Dat hing duidelijk in de lucht. Ik ben meerdere keren naar het eiland geweest. Ook rond het referendum voor de nieuwe status van Curaçao binnen het Koninkrijk. De spanning tussen blank en zwart was om te snijden. Het viel me op hoezeer iedereen in zijn beschermde wereld zat. Het beklemde me, het greep me beet. Ik heb veel gereisd, maar dit ben ik nergens  tegengekomen. Die observering heeft tot deze film geleid.”
Deze observatie komt duidelijk naar voren in een scène waar een zwarte man bij een personeelsfeestje van Blue Bay naast blanken staat. Er is totaal geen interactie tussen hem en de blanken naast hem. Hij wordt minutenlang zwijgend gefilmd. Dat gaf een ongemakkelijk gevoel.
Sarah: “De beelden zijn niet in scène gezet. Dit soort dingen zie je vaak gebeuren.”
Sander: “De vorm van de film is dat we geen interviews met mensen hebben afgelegd. We observeren alleen. Het niet mengen van blank en zwart is een hardnekkig verschijnsel dat je steeds zag.”
Sarah: “In de film noemt de witte gemeenschap de zwarte gemeenschap steeds ‘ze’. De zwarte gemeenschap is wordt door hen teruggebracht tot een groep die ‘ze’ heet. Daardoor wordt het contact nog afstandelijker.”
Jullie wordt soms verweten dat de zwarte Curaçaoënaar geen stem krijgt in deze film.
Sarah: “De film gaat over de Nederlanders op Curaçao, die nauwelijks contact hebben met de zwarte gemeenschap en voorbijgaan aan de pijnlijke geschiedenis op het eiland. Het laat zien hoe de Nederlanders met de zwarte gemeenschap omgaan. Het blijven schimmen. Zeker in de context zoals de Nederlanders ze zien, als instrument dat in de tuin werkt of bedient.”
Sander: “De beelden van de zwarte personages zijn portretten van sterke persoonlijkheden.”  
Sarah: “Met trotse blik die recht in de camera kijkt, geven ze toch een antwoord. Daar heb je de banaliteit van woorden niet nodig. De uitleg van waar het verdriet van het verleden zit.”  
In de film worden enkele mindere eigenschappen aan de zwarte Curaçaoënaar toebedeeld zoals het gebrek aan het tonen van initiatief. Is zo’n begrip als trots niet een clichébeeld dat Nederlanders hebben van zwarten?
Sander: “Ik vind het niet gek dat als je driehonderd jaar bent vernederd dat je je niet geneigd voelt om initiatief te tonen als er geen erkenning voor komt. Ze proberen te overleven, zich staande te houden. Dat zie ik terug in de lichaamshouding. In de blikken als ze in de lens kijken. Op Curaçao is het moeilijker om contact te krijgen met de zwarte bevolking dan bijvoorbeeld in Gambia. Op Curaçao voel ik onmiddellijk een zeker wantrouwen en dat vind ik ook begrijpelijk. In Gambia gaat het contact makkelijker.”
Sarah: “Gambia was tijdens de slavernij een van de grootste doorvoerhavens. Toch heeft de geschiedenis een andere erfenis achtergelaten. In Gambia is er een bruisende energie. Ze zijn bezig iets op te bouwen. Op Curaçao zie ik daarin een verlamming. Dat komt deels door het gebrek aan identiteit. Er is geen dialoog over de geschiedenis.”
Die afstandelijkheid tussen blank en zwart, komt dat volgens jullie uit een superioriteit denken van de Nederlanders?
Sarah: “Nederlanders hebben superioriteitsgevoelens. Ook wij werden tijdens het maken van de documentaire geconfronteerd met onze eigen Nederlandse denkbeelden. Nederlanders hebben iets belerends over zich. Daar heb ik ook last van.”
Sander: “Hollanders zijn een arrogant volkje. We weten het altijd beter. Aan het eind van de film legt cultuurdeskundige Joyceline Clemencia in een aantal minuten de Curaçaose geschiedenis op tafel. De gedachte is dat zonder de aanwezigheid van Nederlanders er niets goeds kan gebeuren. Nederlanders denken dat ze een progressief ruimdenkend volk zijn dat overal voor openstaat. Dat imago is nu weliswaar wereldwijd aan het slijten met Geert Wilders.”  
In ‘Curaçao’ zetten jullie de Nederlanders neer als een gemeenschap die haar eigen geschiedenis op het eiland niet kent.
Sarah: “De film houdt Nederlanders een spiegel voor. De handelsnatie waar het economisch belang prevaleert boven de omgang met mensen. Het is niet alleen het slavernijverleden. De periode van Shell is net zo choquerend. Shell dat in het begin van de vorige eeuw de laatste centjes van zijn arbeiders afpakte door de lonen te verlagen en die van de Nederlanders te verhogen. Het is een geschiedenis die maar door en door gaat.”
Sander: “Als je de scènes in de film gelooft dan is het confronterend en ernstig. Je kunt hoogstens discussiëren over op welke schaal dit voorkomt, maar je kunt het niet ontkennen, toch?”
Sarah: “Sommige zwarte Curaçaoënaars zagen zichzelf geportretteerd als onderdanig en mislukt in de samenleving. Het is niet onze bedoeling geweest om dat te bereiken. Dat is ook niet waar de film over gaat. Dat mensen zo verschillend reageren laat zien dat wij een ingewikkeld probleem hebben aangekaart.”
Kun je de documentaire ook zien als een pleidooi voor het slavernijverleden als standaardkost op scholen in Nederland?
Sarah: “Absoluut. In Nederland leren de scholieren weinig over het slavernijverleden. Over de Tweede Wereldoorlog heb ik drie bibliotheken vol gelezen. Het is schandalig dat het inktzwarte hoofdstuk uit de geschiedenisboeken wordt gehouden. Dat is ook weer typisch Nederlands om onze eigen wandaden buiten beeld te houden.”
Jullie zijn donderdag niet aanwezig bij de première.
Sarah: “We hebben een aanvraag ingediend bij het Prins Bernard Cultuurfonds op Curaçao voor een tegemoetkoming in de kosten, maar daar is negatief op gereageerd. Volgens het fonds boort de documentaire een te delicate kwestie aan. Men wilde hier geen subsidie aan verlenen. Helaas verdienen we te weinig om zelf de overtocht te betalen. Het is een belangrijk onderwerp. We hopen dat er van beide kanten meer inzicht komt. Jan Koster van de Albert Heijn had een hele mooie reactie op de film. Hij zei: ‘Laten we in ieder geval allemaal een poging doen elkaar te begrijpen en te respecteren, dan zijn we al een eind op weg.’ Het grootste venijn zit hem erin dat er geen wederzijds begrip is. Dat moet als eerste worden overbrugd.”