Neerlands Slavernijverleden in Politiek en Onderwijs. De rol van NiNsee

Nieuws

door: Fred de Haas

Na  zijn weigering om in 2007 aanwezig te zijn bij de herdenking van het Nederlandse slavernijverleden, overwon de voormalige Nederlandse Minister-president Balkenende later zijn schroom en verscheen op 1 juli 2008 bij het Nationaal Slavernij Monument in het Amsterdamse Oosterpark om een officiële toespraak te houden die voornamelijk een herhaling was van wat veel Amerikaanse en Europese gezagsdragers al vóór hem hadden gedaan: zeggen hoe erg het allemaal wel was geweest.

De voormalige Premier putte zich uit in het schilderen van het afkeurenswaardige karakter van het slavernijverleden: “schamel, beschamend, verwaaid, schrijnend leed, vernedering, exploitatie, onderdrukking, volstrekt verwerpelijk, slachtoffer, zonder respect, pijnlijk, niet ongedaan te maken, verafschuwen, geketend, smet op het blazoen, schaamteloos, mensonterend, kan alleen in de zwaarste bewoordingen worden veroordeeld, donkere slavernijgeschiedenis…”. Goedbedoeld. Maar dat wisten we allemaal al. Gelukkig zei hij ook dat ‘slavernij en slavenhandel onlosmakelijk zijn verbonden met onze vaderlandse geschiedenis’ en dat ‘de donkere slavernijgeschiedenis thuishoort in ons onderwijs’.

Bovenstaande is reden genoeg om – heel in het kort - in te gaan op zin en achtergrond van het herdenken van de slavernij, waarbij ik me voornamelijk zal beperken tot wat betrekking heeft op ‘onze eigen’ Antilliaanse en Surinaamse afstammelingen van de indertijd tot slavernij gebrachte Afrikanen; ook zal ik iets zeggen over de manier waarop Frankrijk met zijn slavernijverleden worstelt.

 

Eerdere actie vanuit de Franse Cariben

Tussen 1998 en 2001 dragen Frans-Caribische gedeputeerden de boodschap uit dat alle Fransen de slavernijgeschiedenis moeten kennen en leren zien als onlosmakelijk deel van de Franse vaderlandse geschiedenis. Onwetendheid en onverschilligheid waren immers nog steeds troef en Europeanen konden nog steeds rustig overzee gaan werken zonder dat ze ook maar iets afwisten van de gemeenschap waarin ze gingen wonen.

Na vier jaar van debatten in de Franse Tweede Kamer krijgt Christiane Taubira, gedeputeerde van Frans Guyana het voor elkaar dat er op 21 mei 2001 een wet wordt aangenomen waarvan de artikelen 1 en 2 stellen dat de slavenhandel een misdaad tegen de menselijkheid was en dat de slavernij in de wetenschappelijke  onderzoeksprogramma’s  en schoolprogramma’s de plaats moet krijgen die het verdient.

In Nederland zijn er, helaas, nogal wat mensen die iets tegen slavernijherdenkingen hebben.

Trots op Nederland

Toen onze voormalige minister voor vreemdelingenzaken, mevrouw R. Verdonk, haar politieke partij Trots Op Nederland introduceerde, sprak zij de volgende hysterische (sic!) woorden.

“Om te beginnen, dames en heren, is er een sterke ‘Weg Met Ons Stroming’ die ons al jaren wil doen geloven dat onze cultuur niet bestaat en die onze normen en waarden zelfs minderwaardig vindt t.o.v. andere culturen. Ze stellen bijvoorbeeld het Sinterklaasfeest ter discussie en willen overal slavernijmonumenten neerzetten om ons als slecht af te schilderen etc etc. […]. Daarvan zeg ik: Genoeg!”.

Het uitventen van dit soort gedachten is het summum van demagogie en populisme en pleit er in elk geval onbedoeld voor dat er nog gedurende lange tijd herdenkingen moeten plaatsvinden.

‘La sène fini kasé, zesclav touzour amaré’

Moeten we dan blijven herdenken? De slavernij is toch in 1863 afgeschaft? De kolonisatie is toch al een halve eeuw voorbij? Vragen die altijd opduiken als er weer een herdenking plaatsvindt en die steevast beantwoord moeten worden met een volmondig JA. Ja, we moeten blijven herdenken zolang er onder de afstammelingen van de slaven nog psychische problemen zijn die voortkomen uit een onverwerkt verleden en zolang de kleur zwart nog een ‘foute’ kleur is en er nog sprake is van racisme en discriminatie.

Het is in dit verband zinvol om even te denken aan de boodschap die Frantz Fanon (1925-1961), de beroemde psychiater/schrijver uit Martinique, in zijn Peau Noire, Masques blancs (Zwarte huid, Blanke maskers) heeft verwoord: de zwarte Antilliaan is vervreemd van zichzelf omdat hij een Blanke probeerde te worden en opgesloten bleef in een wit denkraam.

Er is gelukkig veel ten goede veranderd sinds Fanon zijn beroemde boek schreef, maar toch is er nog steeds bij sommigen sprake van psychische nood, een nood die altijd heeft bestaan en die vanaf het begin van de formele afschaffing van de slavernij treffend is verwoord door een Creools spreekwoord uit La Réunion: ‘La sène fini kasé, zesclav touzour amaré’ (vert. de keten is gebroken maar de slaven zitten nog steeds vast).

 

De tegenwoordige afstammelingen van de vroegere slaven dreigen het slachtoffer te worden van het feit dat de slavernijperiode als het ware verdwijnt uit het bewustzijn van de koloniserende landen en geen rol meer speelt in de ‘vaderlandse’ geschiedenis. Gelukkig dat een Nederlands Instituut als het NiNsee het collectieve geheugen af en toe eens opfrist.

De eerlijkheid gebiedt te constateren dat men in Nederland nauwelijks geïnteresseerd was in de gedachten en gevoelens van de gekleurde medemens van overzee. Alleen radioprogramma’s als Tambú en Zorg en Hoop besteedden aandacht aan het politieke, culturele en sociale wel en wee van Antillianen en Surinamers. De laatste tijd komt er, heel, heel langzaam, wat meer positieve  belangstelling van pers en andere media en mondjesmaat begint men meer open te staan voor andere zaken dan misdaad, folklore en creoolse keuken. Er is ook een hele afdeling bij de Wereldomroep die zich bezighoudt met de Antillen en Suriname. Maar wie luistert er naar die programma’s? Niet de gemiddelde Nederlander.

Aan de andere kant blijft Nederland voor de Antilliaan op de Antillen óók marginaal, hoewel er voldoende berichtgeving is over Nederland in kranten als de Amigoe di Curaçao en het Antilliaans Nieuwsblad. Maar het ‘gewone volk’ leest andere – in het Papiaments verschijnende - kranten en blijft buiten het actuele debat staan dat in Nederland wordt gevoerd.

Allerlei kunstzinnige, sociale en intellectuele ontwikkelingen die het Nederlandse culturele landschap in de tweede helft van de 20e eeuw hebben geschokt gaan aldus voor een groot deel aan de bevolking van de eilanden voorbij.

Een herdenking in Amsterdam 

‘Treedt toe! Treedt toe!”

Even dacht ik dat ik bij een sekte was beland. Maar het vriendelijke gezicht van de gastheer kón eenvoudig niet bij een sekte horen.

Het was 17 augustus 2008. Ik was naar de Muiderkerk in Amsterdam gegaan om een herdenkingsbijeenkomst bij te wonen van de opstand (1795) van de Curaçaose ‘slaaf’ Tula.

Geïnspireerd door de gebeurtenissen op Haïti, waar de slaven hun vrijheid hadden verworven door een besluit van de Franse Conventie in 1794, had Tula het plan opgevat om dezelfde rechten op te eisen voor de mensen in Curaçao.

Terwijl Tula met een paar vertrouwelingen plannen smeedde om de Curaçaose Shons (= bazen, meesters) de wacht aan te zeggen, werden er in Frankrijk  intussen op veel plaatsen feesten en toespraken gehouden ter bevordering van de afschaffing van de slavernij, een direct gevolg van de Déclaration des Droits de l’Homme et du Citoyen  (Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger, 1789).

Om de sfeer van die tijd weer te geven laat ik even in vertaling de Franse volksvertegenwoordiger Tallien aan het woord die in 1794 de volgende woorden sprak op een feestelijke bijeenkomst in Bordeaux[1]:

‘De invrijheidstelling van de gekleurde mensen is een daad van menselijkheid en rechtvaardigheid. Hoe halen we het in ons hoofd om mensen tot vernederende slavernij te brengen omdat de natuur op de huid van sommigen een extra zwart laagje heeft gelegd? Het zijn allemaal  mensen en in die hoedanigheid hebben ze onvervreemdbare en onaantastbare rechten. Ze waren ongelukkig en dus verdienden ze onze achting en respect. Een slechte, corrupte regering nam een loopje met principes en via een groot aantal absurde en discriminerende maatregelen wentelde die regering in laatste instantie  de ellende, narigheid en onderdrukking van alle anderen af op de onderste laag van de bevolking. Maar onder een republikeins bewind is elk mens ervan verzekerd dat hij zijn rechten en waardigheid herwint…’

In de Muiderkerk verliep het programma vlekkeloos en de optredenden zeiden zeer persoonlijke en rake dingen. Psychiater Helberg vertelde dat ‘alle botten in Tula’s lichaam met een ijzeren staaf werden gebroken, te beginnen bij zijn voeten. Vervolgens werd zijn gezicht verbrand en uiteindelijk werd hij onthoofd’. Ik vroeg me af of dat allemaal wel zo expliciet moest worden vermeld, maar ja, onze voorouders konden er inderdaad wat van. Toen Balthasar Gerards, de moordenaar van Willem van Oranje werd gepakt werd zijn rechterhand, waarmee hij het wapen dat de Vader des Vaderlands had gedood had vastgehouden, in een soort wafelijzer verpletterd. Daarna werden zijn armen en benen bewerkt met gloeiende tangen, zijn geslacht werd afgesneden, zijn borst opengesneden en zijn hart werd eruit gerukt en in zijn gezicht geworpen. Ten slotte werd hij onthoofd en gevierendeeld. Op een plein in Delft.

Zoiets te weten kan ook geen kwaad voor het collectieve geheugen.

“De donkere slavernijgeschiedenis hoort thuis in ons onderwijs”

De voormalige Nederlandse premier stond niet alleen in zijn verlangen om de slavernijgeschiedenis onder te brengen in het onderwijs. De Franse premier Sarkozy ging hem al voor.

Hier volgt een gedeelte van de toespraak van de Franse president op 10 mei 2008 bij de nationale herdenking van de slavernij en de afschaffing hiervan:

“Deze geschiedenis moet worden opgenomen in de schoolboeken, zodat onze kinderen kunnen begrijpen wat de slavernij echt heeft betekend, zodat onze kinderen een goed idee kunnen  krijgen van het grote lijden dat de slavernij teweeg heeft gebracht en welke wonden dit heeft geslagen in de ziel van hen die door niets bevrijd kunnen worden van dat tragische verleden.

De slavenhandel, de slavernij en de afschaffing hiervan zullen dus worden opgenomen in de nieuwe programma’s van de basisschool vanaf het begin van dit schooljaar. […]

Ziet u, in mijn gedachten als President van de Republiek, hecht ik eraan dat, door deze beslissing te nemen, de Fransen dit deel van hun geschiedenis gaan begrijpen in zijn geografische, culturele, economische en sociale dimensies, omdat deze geschiedenis verscheidene dimensies heeft, ook al gaat het om dezelfde tragedie. En omdat de Fransen deze geschiedenis zullen hebben begrepen, zal hij onze gemeenschappelijke geschiedenis worden. De geschiedenis van alle Fransen, niet alleen de geschiedenis van een deel van hen…..’

Herdenken: een taak van de politiek

Herdenken is geen taak van de school, herdenken is een taak van de politiek. Het is wel de taak van de scholen in Nederland en op de Antilliaanse eilanden om de lijn die loopt van kolonisatie/slavernij naar dekolonisatie en emigratie inzichtelijk te maken. Zij zouden het koloniale systeem moeten schetsen in al zijn complexiteit en aangeven wat schadelijk en/of nuttig is geweest en voor wie. Kolonisatie en dekolonisatie moeten worden geïntroduceerd als mondiale verschijnselen (Afrika, Azië, Caraïbisch gebied, Noord- en Zuid-Amerika); en de behandeling ervan mag niet beperkt blijven tot één gebied zonder de mondiale dimensie te hebben verduidelijkt.

De stelling “De donkere slavernijgeschiedenis hoort thuis in ons onderwijs” is makkelijker geponeerd dan ingevuld en de vraag is of die geschiedenis überhaupt in de structuur van het huidige Nederlandse onderwijs kan worden ingepast.

Laten we daartoe de professionals aan het woord laten en een belangrijk citaat reproduceren uit de Huygenslezing (25-04-2007) van Prof. dr. Maria Gevers van de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Het citaat refereert niet direct aan de inpassing van de slavernijgeschiedenis in het Nederlandse onderwijs, maar het schetst wel een situatie waarop door leraren moet worden ingespeeld. Het citaat leidt ons tevens naar één van de mogelijkheden om ‘de donkere slavernijgeschiedenis’ in te passen in ons onderwijs: de canon van de vaderlandse geschiedenis.

“Veel scholen in de grote steden zijn multiculturele laboratoria. Klassen met dertig leerlingen afkomstig uit vijftien landen zijn geen ongewoon verschijnsel. Deze leerlingen hebben bindingen met het woonland en het herkomstland, met hun familie en godsdienst, kaders met alle daarbij behorende culturele codes en tradities. Uit onderzoek blijkt dat de verhalen van deze leerlingen onvoldoende ruimte krijgen in de les, dat ze conflicteren met hetgeen docenten vertellen of dat er onderlinge ruzies ontstaan. Juist in deze situatie is het van belang dat we jongeren goed begeleiden bij het verwerken van informatie en dat we ze leren luisteren naar elkaar bij discussies. De keuze van de leerstof blijft een moeilijke kwestie, maar zal gemaakt moeten worden door capabele docenten. [….]  Daarbij horen ook weerbarstige onderwerpen als slavernij, nazisme, communisme, mensenrechten en democratie. Het gaat om een grondige verwerking van het verleden, zonder dat dit leidt tot het cultiveren van slachtofferschap of tot collectieve schuldgevoelens” (cursivering van mij).

Kritiek op de Canon

Het zal al met al nog een hele toer zijn om de slavernij in te passen in het onderwijs. Het vak Geschiedenis is bijna geruisloos opgegaan in de zogenaamde ‘leerstofprofielen en domeinen’ en na de onderbouw van de middelbare school zal een zeer groot aantal leerlingen nooit meer in aanraking komen met Geschiedenis. Er zal dus op zijn minst ook moeten worden gekeken naar alternatieve vormen van bewustmaking binnen het onderwijs. Bijvoorbeeld naar het uitvoeren van steeds terugkerende projecten. Er zijn al scholen die zulke projecten hebben opgezet in samenwerking met het op 1 juli 2003 geopende  Nationaal Instituut Nederlands Slavernijverleden en Erfenis NiNsee dat in dit opzicht een belangrijke rol vervult.

Tenslotte

In bovenstaande heb ik een bijdrage proberen te leveren aan de beeldvorming rondom de slavernijherdenking en de door de politiek geformuleerde wens om de slavernij structureel in te passen in het Nederlands onderwijs. Ik heb ook de aandacht willen vestigen op het feit dat ook andere landen nog steeds worstelen met het verwerken van hun slavernijverleden en deze donkere tijd een adequate plaats proberen te geven binnen hun eigen vaderlandse geschiedenis.

Het moge duidelijk zijn dat een instituut als het NiNsee dat zich bezighoudt met de bestudering en de praktische herdenking van het slavernijverleden ons aller steun verdient.

Ook in tijden van bezuiniging.

Fred de Haas, Wassenaar, 2011



[1] weergegeven in het dagblad ‘Le Batave ou le Nouvelliste Etranger” van 27 februari 1794