Surinaamse en Antilliaanse ouders minst positieve opvoedbeleving

Nieuws

Naar Hollands gebruik? Verschillen in gebruik van hulp bij opvoeding, onderwijs en gezondheid tussen autochtonen en migranten

 

 

Het overheidsbeleid is erop gericht dat migrantenjeugdigen en hun ouders even goed bereikt worden door algemene voorzieningen als autochtone Nederlanders. De praktijk leert echter dat er etnische verschillen bestaan in het gebruik daarvan. Het SCP-rapport Naar Hollands gebruik? (december 2010) zoekt een verklaring voor verschillen  

in het gebruik van vier typen voorzieningen: opvoedingsondersteuning, speciale onderwijsvoorzieningen, huisarts en voorzieningen op het gebied van seksuele gezondheid. Welke factoren zorgen ervoor dat er etnische verschillen zijn in het gebruik van voorzieningen?

 

 

Enkele quotes met betrekking tot Caribische Nederlanders zijn:

 

“Uit analyses blijkt dat niet-westerse migrantenouders gemiddeld genomen een significant minder positieve opvoedbeleving hebben dan zowel autochtone Nederlanders als westerse migranten. Ouders met een overig niet-westerse of Surinaamse dan wel Antilliaanse achtergrond hebben de minst positieve opvoedbeleving. Deze ouders hebben ook relatief vaak hulp gezocht bij de opvoeding.”

 

“Wat betreft gedragsproblemen, hyperactiviteit/aandachtstekort en problemen met leeftijdsgenoten (psychosociale problematiek) is het aandeel jeugdigen (4-17 jaar) van Surinaamse en Antilliaanse afkomst veel groter dan bij andere groepen” (p27).”

 

“Specifieker gezien geldt voor leerlingen met een Turkse, Marokkaanse, Surinaamse of Antilliaanse achtergrond, dat hun aandeel in het sbo in 2008/’09 relatief gezien groter was dan in het reguliere basisonderwijs. Dit geldt het sterkst voor Antilliaans-Nederlandse leerlingen” (p43).

 

“Aangaande de verdeling van (migranten)leerlingen over de vier clusters van het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, (2008/’09) kan gezegd worden dat Antilliaanse kinderen relatief het vaakst in cluster 4 zitten: gedragsproblemen en psychiatrische stoornissen” (p46). (…) “Scholieren met een Antilliaanse achtergrond waren het vaakst in het praktijkonderwijs (pro) te vinden: bijna 10%” (p47). (…) “Kinderen van Turkse en Antilliaanse herkomst presteren bij aanvang van het basisonderwijs enigszins lager op het gebied van taal en rekenen dan Marokkaans-Nederlandse en vooral Surinaams-Nederlandse kinderen Aan het einde van de basisschool scoren kinderen met een Turkse achtergrond wederom het laagst op het gebied van taal en laten Antilliaans-Nederlandse leerlingen de laagste scores zien op het gebied van rekenen. Kijken we naar de scores van niet-westerse migrantenleerlingen op de Cito Eindtoets Basisonderwijs, dan blijkt dat Surinaams-Nederlandse leerlingen het beste presteren. Leerlingen van Antilliaanse afkomst behalen daarentegen de laagste Cito-scores.” (p50-51).

 

“Wat betreft het gebruik van anti-conceptie wordt gezegd: “Het minder consequente gebruik onder Surinaams- en Antilliaans-Nederlandse jongeren wordt dus niet helemaal verklaard door verschillen in opleidingsniveau en belang van religie. Daarom worden in de tweede stap van de analyse andere factoren toegevoegd die mogelijk de etnische verschillen in het gebruik van anticonceptie kunnen verklaren. Deze factoren hebben betrekking op (de omgang met) het gezin en vrienden, de houding ten aanzien van anticonceptiegebruik en de kennis hiervan, en de verkrijgbaarheid van anticonceptie en condooms. Als we deze factoren toevoegen, blijkt er geen verschil meer te bestaan tussen de etnische groepen in het gebruik van anticonceptie. Wanneer dus alle factoren voor alle jongeren gelijk zouden zijn, zouden ze ook in dezelfde

mate gebruikmaken van anticonceptie, ongeacht de etnische achtergrond.” (p96). 

 

In de algemene conclusies wordt gezegd: “Het blijkt veel voor te komen dat migrantenouders en -jeugdigen anders aankijken tegen de problemen waarvoor de voorzieningen bedoeld zijn dan autochtone Nederlanders. Als het om de opvoeding gaat, blijken niet-westerse migranten gedragingen van kinderen die door autochtone Nederlanders als probleem worden beschouwd, niet altijd te herkennen of niet als zodanig te kwalificeren. Dat speelt ook een rol bij het gebruik van speciale onderwijsvoorzieningen. Schaamte lijkt bij niet-westerse migrantenouders eveneens vaker in het geding, bijvoorbeeld als het gaat om het erkennen van psychosociale problematiek (relevant voor het gebruik van formele opvoedingsondersteuning, speciale onderwijszorg en de huisarts). Ook de visie op de eigen rol en competenties lijkt te verschillen” (p119).

 

“In geen van de deelstudies van dit onderzoek was het mogelijk om een integrale analyse uit te voeren, waarmee zou kunnen worden nagegaan wat het relatieve gewicht is van de verschillende factoren. Alles wijst er echter op dat er vaak sprake is van een cumulatie. Verschillen in achtergrondkenmerken tussen de groepen, verschillen in houding en verschillen in de (on)toegankelijkheid van de voorzieningen lijken eigenlijk altijd wel een deel van de verklaring te bieden. Daarbij is met name bij de groepen van Turkse en Marokkaanse herkomst sprake van een sterke cumulatie van verklarende factoren. Zij verschillen immers wat betreft hun human capital gemiddeld het meest van autochtone Nederlanders, terwijl de verschillende typen problemen zich juist bij hen relatief vaak voordoen. Hun houding tegenover de verschillende typen problemen wijkt het meest af van die van autochtone Nederlanders en ook vanuit de voorzieningen en de daar werkende professionals is de culturele afstand tot hen het grootst. Overigens dient men niet uit het oog te verliezen dat het vaak ook wél goed gaat – zie de eerdere opmerking over het feit dat de gevonden verschillen tussen migranten en autochtone Nederlanders vaak niet groot zijn.” (p120).

 

Lees het gehele rapport op: http://www.scp.nl/dsresource?objectid=27001&type=org

 

 

Bron: OCaN-redactie.