Cijfers OCaN over registratiegraad Antillianen genegeerd

OCaN-bericht 13 januari 2010

Raad van State, CBP en minister waren op de hoogte van feitelijke percentages

Uit een recent 'Actualisatieonderzoek' blijkt dat de zogeheten "GBA-registratiegraad van Antillianen" maar liefst tien keer lager ligt dan werd aangenomen uit een 'schatting' van 2006. In gesprekken en correspondentie met het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP), de voormalige Minister Verdonk Tweede Kamer, ambtenaren, Antillianengemeenten en de Raad van State in de periode 2005-2008 bracht het Overlegorgaan Caribische Nederlanders (OCaN) echter al meerdere malen percentages naar voren aangaande de registratie van Antillianen in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) die overeenkwamen met het onlangs verschenen Actualisatieonderzoek.

Deze werden echter stelselmatig genegeerd. Met de 'schatting' van de lage registratiegraad uit 2006 maakten de Minister, het CBP en de Raad van State de weg vrij voor de rasregistratie in de VIA. Het Actualisatieonderzoek bevestigt het feit dat de GBA-registratiegraad van Antillianen niet afwijkt van andere groepen en dat de ontheffing van het CBP voor de VIA was gebaseerd op ondeugdelijk onderzoek.

De "Schatting van het aantal in Nederland verblijvende Antillianen die niet ingeschreven is in de GBA" uit 2006 was één van de belangrijkste 'bewijzen' voor het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) om een ontheffing te verlenen teneinde het verbod op 'rasregistratie' in de Verwijsindex Antillianen (VIA) tijdelijk toe te staan. Het verzoek voor de elektronische databank VIA kwam destijds van de minister voor V&I en de Antillianengemeenten. Zij hadden gezamenlijk afspraken hadden gemaakt om onder meer de criminaliteit onder Antillianen aan te pakken. Daarvoor was het VIA-instrument nodig om 'mobiele, niet-geregistreerde en met meervoudige problemen kampende Antillianen en Arubanen' beter te kunnen 'vinden en binden'.

 

Onderzoeker maakte al kanttekeningen

Hoogleraar statistiek Peter van der Heijden (Rijksuniversiteit Utrecht), die nota bene in 2006 ook de "Schatting" maakte, komt in het Actualisatieonderzoek Schatting aantal in Nederland verblijvende Antilliaanse Nederlanders die niet ingeschreven zijn in de GBA (november 2009) tot de conclusie dat slechts 1,3% van de Antillianen in Nederland niet ingeschreven staat in de GBA: 1.023 in totaal en geen 13.000, zoals de statisticus vier jaar geleden beweerde. Het verschil lag hem in het feit dat destijds de 'bolletjesslikkers' uit de Nederlandse Antillen die op Schiphol waren aangehouden door de Koninklijke Marechaussee eveneens werden meegerekend als zijnde 'in Nederland verblijvende niet-GBA geregistreerde Antillianen'.

Van der Heijden plaatste in 2006 al beperkingen bij zijn onderzoek. In zijn kanttekeningen schreef hij: "Er zijn bij het maken van de schattingen aannamen gemaakt. Een mogelijke schending is dat onder de personen die wel in HKS (Herkenningssysteem, het registratiesysteem van de politie en de GBA, red.) voorkomen maar niet in de GBA, veel kort in Nederland verblijven (bijvoorbeeld vakantiegangers, open populatieprobleem). In dat geval is het aantal geschatte personen te hoog. Een andere mogelijke schending is dat er een relatie is tussen het wel ingeschreven zijn in HKS maar niet in de GBA.

Indien dit het geval is, dan leidt dit ook tot te hoge schattingen. Wij concluderen dat, indien er aannamen zijn geschonden (wat overigens niet bekend is), dit waarschijnlijk heeft geleid tot te hoge schattingen." De kanttekeningen van de onderzoeker werden echter niet meegenomen in het besluit van het CBP betreffende de ontheffing voor de VIA. In het Actualisatieonderzoek van november 2009 bevestigt Van der Heijden zijn destijds gemaakte kanttekening: "Uit aanvullende analyses in het voorliggende onderzoek is namelijk duidelijk geworden dat de in 2006 gepresenteerde schattingen ten dele gebaseerd waren op aannames die onjuist blijken." (p1). Het Actualisatieonderzoek en de begeleidende brief van de Minister zijn te lezen op de website van de Tweede Kamer (kamernummer 26283, nr. 53).

 

Eerdere scepsis rondom de vermeende lage registratiegraad

OCaN's scepsis rondom de vermeende lage registratiegraad ontstond al precies zes jaar geleden toen de toenmalige minister voor BZK Remkes antwoordde op Kamervragen met betrekking tot de vermeende niet-inschrijving van Antillianen: "Een snelle scan van HKS (het registratiesysteem van de politie en de GBA) leert dat er geen oververtegenwoordiging van Antilliaanse verdachten of van Antilliaanse veelplegers is, die niet in de GBA ingeschreven blijken te staan." (zie kamernr. 671, 7 januari 2004). Deze scepsis werd versterkt door een noot uit nota bene de Notitie Antilliaanse risicojongeren van minister Verdonk (2004, p7), waar werd gezegd: "Uit vergelijking van gegevens uit het HKS en de GBA blijkt dat (slechts) 0,3% van de Antilliaanse veelplegers en 2,11% van de jonge Antilliaanse verdachten niet in de GBA was ingeschreven. Dit percentage is beduidend lager dan andere in HKS geregistreerde groepen". In 2005 liet OCaN bij monde van GroenLinks Kamervragen stellen over de lage percentages, omdat de vermeende niet-registratie van Antillianen voor de gemeente Nijmegen een aanleiding was zelfstandig te starten met een eigen Verwijsindex Antillianen (kamernummer 26283, nr. 27, p8).

Deze lage percentages konden ook de leden van het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) niet overtuigen, toen deze tijdens een gesprek met OCaN in mei 2006 werden overhandigd; eind 2006 gaf het CBP een ontheffing voor de VIA. Bij de bezwarencommissie van het CBP in maart 2007 bracht OCaN wederom zijn verweer naar voren omtrent de "schattingen van de niet-registratie" en de Antilliaans-Arubaanse organisatie Movimentu Antiano i Arubano pa Promové Partisipashon (MAAPP) attendeerde het CBP op het feit dat het rapport gedateerd was. De Taskforce Antilliaanse Nederlanders tenslotte vond medio 2008 dat "gewaakt diende te worden voor overschatting van het volume": "In Rotterdam, waar de aard en omvang van de problematiek verreweg het grootst is, heeft de politie nader gekeken naar de verdachten van geweldsdelicten. Het aantal niet-geregistreerden in de GBA onder deze verdachten schommelt tussen de 1,5% en 4% tussen 2003 en 2008." (Taskforce Antilliaanse Nederlanders, 2008, p20).

 

Hoger beroep Raad van State: "Schattingen zijn geen harde cijfers

Tijdens het hoger beroep betreffende de 'Verwijsindex Antillianen' (VIA) bij de Raad van State op 10 april 2008 werd de lage registratiegraad van Antillianen in de GBA wederom door het Overlegorgaan Caribische Nederlanders (OCaN) betwist met de cijfers uit de Notitie Antilliaanse Risicojongeren en daarmee de noodzaak voor een apart registratiesysteem. Bij monde van advocaat Peter Nicolaï, die optrad als advocaat van OCaN in de gehele rechtszaak tegen de VIA, werd in het hoger beroep bij de Raad van State gezegd: "Onbestreden is dat de hoge mobiliteit van Antilliaanse en Arubaanse risi­cojongeren niet met cijfers is aangetoond en dat er evenmin met betrekking tot de GBA-inschrijvingsgraad harde cijfers zijn geproduceerd maar slechts schat­tingen over de veronder­stelde GBA-inschrijvingsgraad.

Ook is onbestreden dat geen vergelijkingsmateriaal met andere bevolkings­groepen is gegeven, zodat reeds om die reden niet kan worden vastgesteld dat Antilliaanse en Arubaanse risi­cojongeren zich méér dan andere 'risicogroepen' zouden ken­merken door ongrijp­baarheid." Tijdens de zitting attendeerde OCaN op cijfers gebaseerd op onderzoek vanuit het ministerie van Justitie uit 2004: "Slechts 0,3% van de Antilliaanse veelplegers en 2,11% van de jonge Antilliaanse verdachten is niet in de GBA ingeschreven, een percentage dat beduidend lager ligt dan andere in HKS geregistreerde groepen."

 

CBP: "Schattingen, omdat geen registratie plaatsvindt"

In het verweerschrift van het College Bescherming Persoonsgegevens, waarop OCaN reageerde, werd gezegd (p33): "De daarin gepresenteerde cijfers zijn weliswaar schattingen (WODC-rapport naar de GBA-inschrijvingsgraad Antillianen, 2006, red.), maar dat is vooral gelegen in de omstandigheid dat geen registratie plaatsvindt."

Raad van State: "Ernstige problematiek voldoende voor een VIA"

De Raad van State oordeelde op 3 september 2008 echter als volgt: "Het betoog van de stichting (OCaN, red.) dat uit het rapport "Schatting van aantal in Nederland verblijvende Antillianen die niet ingeschreven zijn in de GBA" niet kan worden afgeleid dat het niet ingeschreven zijn in de gemeentelijke basisadministratie deel uitmaakt van de problematiek van Antilliaanse risicojongeren omdat dat rapport slechts schattingen bevat, slaagt reeds niet omdat het aantal personen dat zich niet inschrijft in de gemeentelijke basisadministratie naar zijn aard niet is geregistreerd en derhalve slechts op basis van schattingen kan worden vastgesteld.

Voor zover de stichting betoogt dat in het rapport bij het vaststellen van de geschatte aantallen een onjuiste methode is gehanteerd, heeft zij dit niet aannemelijk gemaakt. De omstandigheid dat jongeren die voldoen aan de knelpuntencriteria op grond waarvan de registratie in de VIA plaatsvindt, gelet op de aard van de knelpunten, juist wél ingeschreven zullen zijn in de basisadministratie acht de Afdeling niet van dien aard dat op die grond het standpunt van het college (College Bescherming Persoonsgegevens, CBP, red.) niet kan worden gevolgd. Wat daar immers van zij, het doet er niet aan af dat risicojongeren die foutief zijn ingeschreven en/of hun inschrijving na verhuizing niet wijzigen zonder gebruikmaking van de VIA niet bereikt kunnen worden voor de integrale aanpak die met het instellen van de VIA en de casusoverleggen wordt voorgestaan.

Nu het college zich op het standpunt heeft gesteld dat de criteria hoge mobiliteit en ongrijpbaarheid niet op zichzelf, maar in combinatie met de ernst van de problematiek van de Antilliaanse risicojongeren noodzaken tot de gegevensverwerking waar de ontheffing op ziet en, zoals hiervoor is overwogen, het college aannemelijk heeft gemaakt dat de problematiek van Antilliaanse risicojongeren ernstiger is dan die van andere risicojongeren, vormt de omstandigheid dat met betrekking tot de criteria hoge mobiliteit en ongrijpbaarheid geen vergelijkingsmateriaal met andere bevolkingsgroepen is overgelegd onvoldoende grond voor het oordeel dat het college zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de ontheffing noodzakelijk is." (zie punt 2.11.2. De gehele uitspraak van de Raad van State is te lezen op www.raadvanstate.nlwww.raadvanstate.nl, zaaknummer 200706325/1).

'Zichtbaarheid' verbeteren: aantonen ingezetenschap met verhuisbericht

Niettemin blijft het voor sommige Antilliaanse en Arubaanse nieuwkomers moeilijk zich in te schrijven in de GBA. Om de niet-registratie in de GBA op te lossen (en daarmee de 'onzichtbaarheid' van deze personen voor hulpinstanties) zou het voor een aantal Antilliaanse en Arubaanse nieuwkomers eenvoudiger gemaakt moeten worden om aan te tonen dat het middelpunt van zijn of haar maatschappelijk leven in Nederland bevindt. Indien een persoon voldoet aan de Nederlandse criteria van dit zogeheten ingezetenschap kan hij of zij een Burgerservicenummer (BSN) en een briefadres aanvragen, ook als nog niet is voorzien in een vast woon- of verblijfadres.

Met een BSN kan deze persoon zich inschrijven voor bijvoorbeeld werk, inkomen of scholing en met een briefadres kan correspondentie worden geregeld. Bij de beoordeling van het ingezetenschap kijkt een gemeente naar de omstandigheden. Welke bijzondere omstandigheden gelden voor een Antilliaanse of Arubaanse nieuwkomer? Een Antilliaan of Arubaan ontvangt bij het uitschrijven uit de bevolkingsadministratie op de Nederlandse Antillen of Aruba (PIVA) een verhuisbericht (art. 29a GBA).

Ons inziens zou het bezit van een Antilliaans of Arubaans verhuisbericht als 'omstandigheid' moeten volstaan om vast te stellen dat betreffende nieuwkomer een duurzaam verblijf zal opbouwen in Nederland ("ingezetenschap"). In dat geval kan alvast worden voorzien in de noodzakelijke BSN en briefadres. Daarmee kan de betreffende nieuwkomer een leven opbouwen in Nederland en wordt hij of zij indien nodig ook zichtbaarder voor de (hulp-)instanties.

Los hiervan dient uitgezocht te worden in hoeverre instanties in Nederland als SVB en gemeenten het begrip 'ingezetenschap' verschillend interpreteren, wat de Europese Richtlijn over het ingezetenschap zegt en wat de consequenties daarvan zijn voor de maatschappelijke positie van Antilliaanse en Arubaanse nieuwkomers in Nederland.

 

Overlegorgaan Caribische Nederlanders (OCaN)

Laan van Meerdervoort 145a

2517 AX Den Haag

070-380.33.01

www.ocan.nl