Hoger beroep Verwijsindex Antillianen (VIA)

Hoger beroep Verwijsindex Antillianen (VIA)

OCaN-INFO, 6 mei 2008

Op 26 juli 2007 verklaarde de rechtbank van Den Haag het beroep van OCaN tegen de Verwijsindex Antillianen (VIA) gegrond. Tegen die uitspraak gingen de Minister voor WWI/ 21 Antillianengemeenten (AG-21) en het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) in hoger beroep. Ook OCaN tekende hoger beroep aan. Op 10 april jongstleden vond het hoger beroep plaats bij de hoogste bestuursrechterlijke instantie in Nederland, de Raad van State. Waar waren de ‘grieven' van de drie partijen tegen gericht?

VIA

Nog even resumerend: wat is de VIA? De Verwijsindex Antillianen (VIA) is een elektronische databank met ‘verwijsgegevens' over 1e en 2e generatie risico-Antillianen en Arubanen tot 25 jaar, met problemen op minimaal twee terreinen, zoals werk, onderwijs, wonen, schulden, gezondheid, politie en justitie. Waarom is deze VIA nodig? Kennelijk bijzonder aan het ‘ernstige en urgente probleem' met de Antilliaanse en Arubaanse risicojongeren is, dat zij ‘mobiel' zijn, zich ‘niet inschrijven in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA)' en daarmee onbereikbaar zijn voor hulp, dan wel ongrijpbaar voor politie. Vinden en binden wordt aldus bemoeilijkt. Middels deze databank VIA zou informatie over deze jongeren kunnen worden uitgewisseld tussen de 21 Antillianengemeenten - en alle regionale politiekorpsen in Nederland - , maar ook tussen instanties in ‘casusoverleggen' binnen een gemeente. De ‘welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden' van deze VIA waren: middels een goede informatiepositie een ‘integrale, persoonlijke aanpak' initiëren voor een betere hulpverlening en voor het bestrijden van overlast en criminaliteit onder deze jongeren. Ook werd als doeleinde van deze VIA geformuleerd het bereiken van de beoogde resultaten uit de "bestuurlijke arrangementen" die tussen de Staat en de 21 Antillianengemeenten in 2005 waren afgesloten; dat is: het terugdringen van de vermeende oververtegenwoordiging in schooluitval, werkloosheid en criminaliteit met 30 tot 50%. Het gevoelige gegeven dat in deze VIA geregistreerd wordt, is de etnische herkomst, te weten "Nederlandse Antillen" of "Aruba". Etnische herkomst valt onder het brede begrip ras. Volgens de Wet Bescherming Persoonsgegevens (WBP) is registratie van ras verboden, tenzij deze geregeld wordt in de wet, dan wel het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP), de privacywaakhond in Nederland, een ontheffing hiervoor heeft verleend. Die ontheffing van het verbod op structurele rasregistratie van het CBP aan de Minister/AG-21 vond plaats in december 2006. Voor het eerst in de geschiedenis.


Uitspraak rechtbank

De rechtbank in Den Haag was vorig jaar zomer van mening dat het ‘middel niet passend was om het beoogde doel te bereiken': het overgrote deel van de Antilliaanse risicojongeren die in de VIA terecht zou kunnen komen, is namelijk wel geregistreerd in de GBA, zoals een werkzoekende die ingeschreven is bij de sociale dienst, iemand die een woning huurt bij een wooncorporatie, of een spijbelaar van school. Het ‘niet in de GBA-ingeschreven staan' is dus geen speciale belemmerende factor voor het niet kunnen verlenen van hulp aan een Antilliaanse of Arubaanse risicojongere. Bovendien, zegt de rechtbank, zou een algemene verwijsindex met de genoemde specifieke ‘knelpuntencriteria' (dat is: mobiel en niet-ingeschreven staan) als alternatief kunnen dienen. In dat geval zou het gevoelige gegeven ‘ras' niet geregistreerd hoeven te worden. Verder zei de rechtbank dat het CBP met het verlenen van een ontheffing voor de VIA en de gemeentelijke casusoverleggen gezondigd had tegen haar eigen beleidsvoorwaarde: volgens deze voorwaarde zou ‘op redelijke termijn wetgeving op komst moeten zijn die de verwerking van rasgegevens zou gaan regelen'. Dat voornemen tot wetgeving bestond niet ten tijde van de ontheffing, noch tijdens de zitting.

Volgens de rechtbank faalde echter het beroep van OCaN op het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (IVUR) van de Verenigde Naties, omdat "deze bepalingen zich uitsluitend richten tot de verdragsluitende partijen en zich niet lenen voor rechtstreekse toepassing". Niettemin stelde de rechtbank, dat uit de WBP niet blijkt dat het CBP "bij de invulling van de betekenis van het begrip noodzakelijk met het oog op een zwaarwegend algemeen belang zogeheten beoordelingsvrijheid toekomt. De rechtbank dient daarom ‘vol' te toetsen - en niet ‘terughoudend' - of verweerder in het onderhavige geval terecht tot het oordeel is gekomen dat hiervan sprake is, met name nu dit begrip dient te worden uitgelegd in het licht van internationale verdragsbepalingen". Zonder de overige beroepsgronden te bespreken, verklaarde de rechtbank het beroep van OCaN gegrond.


Hoger beroep

Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank zijn de Minister en de 21 Antillianengemeenten (AG-21), het CBP en OCaN in hoger beroep gegaan. Hieronder volgen de belangrijkste punten van de partijen.


Hoger beroep van de Minister en AG-21

De Minister en de AG-21 (hierna: de Minister) kende drie beroepsgronden. Ten eerste is de Minister van mening dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de hierboven genoemde beoordelingsvrijheid van het CBP, zo schrijft de landsadvocaat in een beroepschrift op 25 september 2007. Het begrip ‘zwaarwegend algemeen belang' is vaag en om die reden zou ruimte voor beoordeling moeten bestaan, waarbij ‘recht wordt gedaan aan het CBP als gespecialiseerd toezichthouder'.

Ten tweede miskent de rechtbank de noodzaak van een VIA. Niet alleen de mobiliteit en het niet-ingeschreven staan in de GBA, maar ook de "specifieke aard, omvang en urgentie van de problematiek" spelen mee. De combinatie van deze ‘kenmerken' rechtvaardigt de ontheffing. Andere methoden om aan informatie over Antilliaanse risicojongeren te komen zijn te omslachtig. Voor de VIA is geen (beter) alternatief voorhanden, zo zegt de Minister. Een index met alleen de "knelpuntencriteria" - een overweging van de rechtbank - zou onvoldoende zijn voor de specifieke problematiek, want Antillianen kunnen wel ingeschreven staan in de GBA, maar hoeven daar feitelijk niet te verblijven. Deze onjuiste inschrijving in de GBA, zo schrijft de Minister, verhelpt de ongrijpbaarheid niet.

Ten derde zegt de Minister, dat uit de Wet Bescherming Persoonsgegevens (WBP) niet blijkt, dat "op redelijke termijn wetgeving op komst moet zijn, die de structurele verwerking van ras regelt". De wetgever (Tweede Kamer) hoeft dus niet een keuze hierover te maken; een ontheffing van het CBP is voldoende. Het CBP heeft met het verlenen van een ontheffing niet ‘gehandeld in strijd met zijn eigen beleid'. Het CBP heeft aangegeven dat de VIA een "pilot is, die na positieve evaluatie wettelijk wordt geregeld". Aan die voorwaarde heeft het CBP voldaan, zo zegt de Minister.


Hoger beroep van het CBP

Het CBP richt zich in zijn beroepschrift dd. 25 september 2007 op twee punten: ten eerste, het toetsingskader en ten tweede, het door het CBP gevoerde beleid. Volgens het CBP is de ontheffing voor de VIA gerechtvaardigd, vanwege de ernst en urgentie van de problematiek. Omdat de noodzaak aanwezig is, zo zegt het CBP, is het middel passend om een doel te bereiken. Het CBP heeft hierbij de beoordelingsvrijheid om het relevante criterium - noodzakelijk met het oog op een zwaarwegend algemeen belang - uit te leggen. De rechtbank had dat niet "vol", maar "terughoudend" moeten toetsen: de rechtbank had zich slechts moeten beperken tot de vraag of het CBP in "redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de noodzaak zijdens de Minister was aangetoond".

Het CBP geeft aan, dat volgens de Minister de algemene Verwijsindex Risicojongeren (VIR), die voor alle risicojongeren gaat gelden in Nederland (2009), niet kon worden afgewacht. Het CBP vindt dat het ontbreken van initiatief voor wetgeving van de registratie van ras in de VIR "zeer voor discussie vatbaar". Dat voor de ontheffing "formele wetgeving op komst" moet zijn, valt volgens het CBP niet onder een ‘beleidsregel', maar onder een ‘gedragslijn' van het CBP, waarvan afgeweken kan worden.


‘Nadere memorie' van OCaN op het hoger beroep van de Minister, AG-21 en het CBP

In een nadere memorie van OCaN, opgesteld op 28 maart 2008 door advocaat en bestuursrechtspecialist prof. mr. Peter Nicolaï, wordt geïntegreerd geantwoord op de drie beroepsgronden (hoger beroep) van de Minister/AG-21 en de twee beroepsgronden het CBP van 25 september 2007.

Volgens OCaN biedt ten eerste de wetgever aan het CBP geen beoordelingsvrijheid betreffende het bepalen van de ‘noodzaak' die de rechter zou moeten eerbiedigen. Niet voor niets heeft de wetgever een ‘gesloten systeem' gecreëerd in de Wet Bescherming Persoonsgegevens (WBP), nota bene gaat het om een "gevoelig gegeven" - te weten ras - dat verwerkt gaat worden! Bij structurele verwerking van ras - en daarvan is sprake bij de VIA - is een regeling bij wet vereist. Dat moet zo strikt mogelijk te worden geïnterpreteerd door het CBP. Dat geldt ook voor datgene wat het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en de Rassenrichtlijn van de Europese Unie (95/46/EG) zegt over de (privacy-)bescherming van gevoelige gegevens.

Ten tweede, met het argument ‘het belang van een goede informatiepositie voor gemeenten', poogt de Minister volgens OCaN een nieuwe grondslag voor de VIA aan te voeren. Immers, de grondslag voor het ontheffingsverzoek was de vermeende mobiliteit en het niet-ingeschreven staan in de GBA van Antilliaanse en Arubaanse risicojongeren. De grondslag kan in het hoger beroep echter niet worden gewijzigd.

De noodzaak van de VIA, zo vervolgt OCaN, kan niet worden aangenomen, omdat de bedoelde risicojongeren ook zonder de VIA traceerbaar zijn. Het is niet aannemelijk dat deze jongeren ‘ongrijpbaar' zijn, omdat de deelnemende partijen in de VIA zoals sociale dienst, leerplichtambtenaar, wooncorporatie, schuldsaneerder, arts en politieagent reeds ‘diensten' verlenen aan deze personen.

Ten derde is het volgens OCaN weldegelijk aan de formele wetgever een wettelijke regeling voor rasregistratie in het leven te roepen. Het CBP mag een ontheffing verlenen, als het om incidentele en uitzonderlijke gevallen gaat. En zeker niet voor een geval dat zich leent voor een regeling bij formele wet. Concreet zicht op wetgeving die de VIA zou opvolgen, is er niet. De bedreiging voor de persoonlijke levenssfeer van verwerking van gevoelige gegevens rechtvaardigt een oordeel van de formele wetgever over de noodzaak van gegevensverwerking.


Hoger beroep van OCaN

Het hoger beroep van OCaN, opgesteld op 2 oktober 2007 naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank, kent acht zogeheten grieven.

Ten eerste mocht volgens OCaN de ontheffing voor de VIA niet verleend worden aan de 21 burgemeesters van de Antillianengemeenten. Deze gaan volgens de Gemeentewet over openbare orde, terwijl de VIA ook bedoeld is voor hulpverlening. De ontheffing had dus aangevraagd en eventueel verleend moeten worden aan de 21 colleges van burgemeester en wethouders (B&W).

Het CBP was op grond van de WBP bovendien niet bevoegd een ontheffing te verlenen, de tweede grief, aangezien het bij de VIA gaat om structurele en niet-uitzonderlijke verwerking van rasgegevens, die zich leent voor een wettelijke regeling door de formele wetgever.

In de derde grief wordt aangegeven dat niet is voldaan aan het criterium van ‘noodzakelijk met het oog op een zwaarwegend algemeen belang', aangezien de deelnemende partijen in het gemeentelijk casusoverleg Antilliaanse risicojongeren - van wooncorporatie tot sociale dienst en politie - ook rasgegevens moeten aanleveren, hetgeen op wettelijke belemmeringen stuit.

De vierde grief gaat over het evident stigmatiserende karakter van de VIA, dat alleen al om die reden niet als ‘passend en proportioneel middel voor een legitiem doel' kan gelden.

De vijfde grief attendeert op het ontbreken van een feitelijke onderbouwing en onderzoek van de mobiliteit, ongrijpbaarheid en niet-ingeschreven staan in de GBA van Antilliaanse risicojongeren.

De ontheffing had het CBP niet mogen verlenen, omdat een ‘welbepaalde en uitdrukkelijk omschreven doelstelling' voor de VIA ontbrak. Daarmee waren ‘de rechten van de betreffende personen onzeker', zo omschrijft de zesde grief.

Ten zevende, de VIA is tevens een vorm van rassendiscriminatie als bedoeld in het Internationaal Verdrag inzake de Uitbanning van alle vormen van Rassendiscriminatie (IVUR) van de Verenigde Naties. Als ‘orgaan van de Staat' rust een verplichting op verweerder om rassendiscriminatie te verbieden. Dat de VIA discriminerend is, blijkt uit het feit dat de fundamentele vrijheidsrechten van de ene groep wel en van de andere groep niet wordt aangetast. Dat kan geen legitiem doel hebben.

In de achtste grief van OCaN tenslotte, wordt aangegeven dat de verweerder de betrokken belangen onvoldoende heeft afgewogen. Nota bene, we spreken hier van klassieke grondrechten, te weten het recht op privacy en het verbod op rassendiscriminatie. Bovendien is een algemene Verwijsindex Risicojongeren (VIR) op komst.


Reactie Minister/AG-21 en CBP op het hoger beroep van OCaN

Op 6 november 2007 reageerden de Minister/AG-21 en het CBP op de "acht grieven" in het hoger beroep van OCaN van 2 oktober 2007.

Daarin zegt de Minister, dat zij van mening is dat de burgemeester de "verantwoordelijke" is op lokaal niveau: hij gaat namelijk over de handhaving van de openbare orde, één van de doelstellingen uit de gemeentelijke casusoverleggen. Ten tweede is de Minister van mening, dat een ontheffing niet bij formele wet geregeld hoeft te worden; een ontheffing van het CBP volstaat. Deze ontheffing gaat over het verwerken van gevoelige gegevens, niet over het aanleveren van deze gegevens door de betrokken instanties, zo reageert de Minister op OCaN's derde grief. De Minister blijft erbij dat de "ernst van de problematiek van Antilliaanse risicojongeren" de VIA en de gemeentelijke casusoverleggen noodzakelijk maakt (grief vier).

Ten vijfde onderscheiden Antilliaanse risicojongeren zich in andere opzichten ook van overige risicojongeren, beweert de Minister, namelijk een instabiele gezinssituatie, tienermoederschap, sociale achterstandsituatie etcetera. Mochten deze overige risicojongeren eveneens ‘niet-ingeschreven' staan in de GBA, dan nog is sprake van een zwaarwegend algemeen belang voor de VIA, zo voegt de Minister dit argument toe.

Dat de ontheffing in strijd is met de "welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden" (art. 7 WBP) van de VIA, doet volgens de Minister als reactie op de zesde grief niet ter zake bij het verlenen van een ontheffing, omdat de ontheffing gaat over een ander wetsartikel uit de WBP (art. 23).

Het VN-Verdrag tegen rassendiscriminatie IVUR heeft geen rechtstreekse werking, zodat daar geen beroep op kan worden gedaan: "Verwerking van rasgegevens betekent nog niet een andere behandeling, beperking of uitsluiting", zo legt de Minister uit. Tenslotte is de Minister van mening wel degelijk gekeken te hebben naar het stigmatiserende karakter. Als reactie op de achtste en laatste grief beweert de Minister dat ‘extra mogelijkheden voor een repressieve aanpak' met een VIA niet kloppen.


Het hoger beroep bij de Raad van State

Op 10 april 2008 vond een drieëneenhalf durend hoger beroep plaats bij de Raad van State in Den Haag. In de pleidooien gaven de drie partijen - de Minister/AG-21, CBP en OCaN - een toelichting op respectievelijke beroeps- en verweerschriften. OCaN en advocaat Nicolaï werden hierbij bijgestaan door co-advocaat mr. Maxim Ferschtman van het Open Society Justice Initiative (OSJI), een internationaal mensenrechteninitiatief van de Open Society Institute (OSI), waarvan het hoofdkantoor is gevestigd in New York. OSI wordt ondersteund door de SOROS Foundation. Op verzoek van OCaN had OSJI voor de zitting een deskundigenrapport opgesteld over de VIA, waarabij bijzondere aandacht uitging naar de internationaal (mensen-)rechtelijke aspecten van de zaak, in het bijzonder de EVRM, zie elders in OCaN-INFO.

Tijdens het hoger beroep kwamen de volgende thema's nadrukkelijk aan de orde.

Als eerste, de VIA in relatie met internationale en Europese wetgeving (privacy, discriminatie), zoals de IVUR (VN), het EVRM (Raad van Europa), het Internationaal Verdrag inzake Burger- en Politieke Rechten (IVBPR, VN) en de Europese rassenrichtlijn 95/46/EG (Europese Unie). Zo is het CBP niet van mening dat de VIA geen direct onderscheid maakt naar etniciteit en zegt daarbij: "De groep Antillianen en Arubanen bevat een groot aantal rassen of etniciteiten. Zij allen worden gelijk behandeld". Volgens OCaN heeft de rechtbank te weinig stilgestaan bij de toetsing van internationale verdragen: Nederland moet uitgaan van de toepassing van internationale wetgeving. Zo heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (Raad van Europa) in november 2007 nog bevestigd, dat bij het maken van verschil in behandeling op basis van ras, kleur of etnische herkomst, de notie van objectieve en redelijke rechtvaardiging zo strikt als mogelijk geïnterpreteerd moet worden. Terwijl OCaN de nadruk bij deze uitspraak legt bij ‘zo strikt mogelijk', zien het CBP en de Minister ruimte bij de ‘marge'. Waarom ‘ras' het onderscheidende criterium in het risicoprofiel is, daar hebben Minister en CBP geen antwoord op kunnen geven.

Als tweede, het aantonen van noodzaak om één etnisch te onderscheiden groep harder en scherper aan te pakken; de objectieve rechtvaardiging voor het maken van onderscheid op basis van ras - nu de maatregel is gericht op één etnisch te onderscheiden groep (directe discriminatie) - en het zwaarwegend algemeen belang: de aard/omvang en ‘ernst/urgentie' van de problematiek (waarom is men niet eerder gekomen met een VIA, of waarom niet versneld met een VIR?); de VIA als ‘ultimum remedium' voor de terugzendregeling; en de mobiliteit en het niet in de GBA-ingeschreven staan, ook in vergelijking met overige risicogroepen. Zo blijkt uit het onderzoek "Verslaafd aan een flitsende levensstijl (Van San e.a., 2007) dat "over het algemeen de criminele Antilliaanse Rotterdamse jongeren vrij sterk gebonden zijn aan de buurt waar zij wonen of waar ze veel tijd doorbrengen en zij zelden uitwijken naar andere steden om er criminele activiteiten te plegen. (...) Het is daarnaast opmerkelijk dat veel van de jongeren delicten in Rotterdam plegen, vaak zelfs in de buurt waar zij wonen". Bovendien is aantoonbaar dat Antillianen en Arubanen het goed doen op het terrein van onderwijs en werk. En wat betreft het niet-ingeschreven in de GBA: volgens de Notitie Antilliaanse Risicojongeren (Justitie, 2004) blijkt dat uit vergelijking van gegevens uit het HKS en het GBA dat (slechts) 0,3% van de Antilliaanse veelplegers en 2,11% van de jonge Antilliaanse verdachten niet in de GBA was ingeschreven. Dit percentages is beduidend lager dan andere in HKS geregistreerde groepen! Een vraag is: zijn de jongeren ongrijpbaar, als zij gewoon GBA-geregistreerd zijn? De Minister zegt, dat "niet bekend is waar de jongeren zijn en dat de regeling niet bedoeld is voor terugzenden".

Als derde, het hoofddoel van de VIA: is dit handhaven van de openbare orde, of het verlenen van hulp? Deze doelen zijn verschillend. ‘Hulp en repressie' als doeleinde lijken innerlijk tegenstrijdig. De meeste betrokken instanties hebben in ieder geval niets van doen met openbare orde. En wie had een ontheffing moeten aanvragen: de burgemeester of het college van B&W? Voor de VIA is dat nu gebeurd door de burgemeesters, maar voor de vergelijkbare algemene Verwijsindex Risicojongeren (VIR) zijn B&W verantwoordelijk, zo leert het ontwerp-wetsvoorstel... Volgens de Minister niettemin behoort "het handelen met zorg en repressie tot één keten van mogelijkheden. Doel is: het probleem van de persoon moet integraal worden tegengegaan en daarvoor bestaat een breed scala aan mogelijkheden". Volgens OCaN is de ‘keten' niet een ‘welbepaald doel' voor rasverwerking.

Als vierde, de Raad van State vraagt zich af of niet alle 21 Antillianengemeenten de noodzaak en het zwaarwegend algemeen belang om ras te registeren dienden aan te tonen. Nota bene, we spreken van 21 verschillende situaties en 21 "gemeentelijke casusoverleggen". Is met één ontheffing geen sprake van een ‘subjectieve invulling' van de noodzaak? Volgens het CBP is geen verschil in de feitelijke situatie, ‘vanwege de hoge mobiliteitsgraad van Antilliaanse jongeren'.

Als vijfde, in hoeverre bestaat beleids- of beoordelingsvrijheid voor het CBP voor het verlenen van een zo diepgaand besluit als de ontheffing van het verbod van rasregistratie, op grond van art. 23 WBP? Dient ontheffing geen taak te zijn van de formele wetgever (Tweede Kamer) - de "Koninklijke weg" -, in plaats van nu is gebeurd: door het niet-politieke zelfstandige bestuursorgaan CBP? Nu niet wordt vooruitgelopen op de totstandkoming van een wettelijke regeling, geldt dan niet een "beginselplicht" tot regeling bij formele wet? Belangrijk: de rasregistratie is niet opgenomen in het wetsontwerp VIR en de directe relatie met repressie is verlaten.

Als zesde, wat is het verschil in de opnamecriteria tussen de VIA en de Verwijsindex Risicojongeren (VIR)? Met andere woorden, wat is de specifieke problematiek waar Antilliaanse en Arubaanse jongeren mee te maken hebben, waardoor de VIR (2009) niet afgewacht had kunnen worden? Nota bene, in het ontwerp wetsvoorstel van de VIR zijn de opnamecriteria in overeenstemming met die van de VIA en wordt nauwelijks gesproken over "repressie" (zie art. 2k, http://www.verwijsindex.nl/upload/Wetsvoorstelverwijsindex_12027271260.pdf) . In het verlengde van deze discussie wordt gesproken over de alternatieve overweging van de rechtbank: een algemene index met ‘knelpuntencriteria' waarbij geen onderscheid naar ras wordt gemaakt, werkt volgens de Minister niet voor Antillianen, gezien de "specifieke aard van de doelgroep".

Als zevende, het verbod op ‘racial profiling', dat wil zeggen het koppelen van ras aan negatieve kenmerken en gedragingen; is hierbij sprake van directe discriminatie, nu etniciteit het onderscheidende criterium in het risicoprofiel is? Nota bene, ook het onderzoekscentrum van het Ministerie van Justitie WODC (2005) zegt, dat "generaliserende uitspraken over de samenhang tussen herkomst en criminaliteit niet verstandig en vaak niet correct zijn."

Als achtste ten slotte, het CBP heeft het ontheffingsbesluit reeds in november vorig jaar teruggetrokken, naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank in juli. Is het CBP nu ook in hoger beroep gegaan tegen haar eigen besluit?


Geen willekeur

De uitspraak van de Raad van State wordt ‘vanwege omvang en kaliber' medio juni verwacht. Een rechtsgang naar het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (Raad van Europa) in Straatsburg behoort daarna nog tot de eventuele mogelijkheden. Wat de uitspraak ook zal zijn, OCaN wil in de nabije toekomst in het openbaar de discussie voeren met eenieder in de samenleving over op welke manier de risicojongeren uit de etnische minderheidsgroepen in Nederland beter te helpen zijn. OCaN is van mening dat - om stereotypering en daarmee willekeur te voorkomen - individuele risicojongeren niet beoordeeld moeten worden op zogenaamde ‘groepskenmerken' of ‘profielen'. ‘Integratie en repressie' van etnische minderheidsgroepen kunnen ons inziens onmogelijk hand in hand gaan: afbakening van een doelgroep is goed, als het gaat om hulpverlening. Dat is essentieel. Tenslotte mogen wat ons betreft geen precedenten geschapen worden voor de aparte registratie van allerlei groepen Nederlanders met zogenaamd ‘bijzondere' kenmerken - etniciteit, ras, geloof, afkomst of gezondheid - met alle gevolgen van dien.


Marnix Arendshorst.