Integreren, mijne heren!

Door Fred de Haas

 

De Stichting Overlegorgaan Caribische Nederlanders (OCAN), overlegpartner van de Nederlandse Overheid voor de Antilliaanse en Arubaanse gemeenschap in Nederland, houdt op 4 juli aanstaande een bijeenkomst waar experts zich gaan buigen over ‘Taal en taaldiversiteit bij Caribisch-Nederlandse scholieren en studenten in Nederland’.

 

Een goed gekozen thema. Taal speelt immers een belangrijke rol bij integratie in de samenleving en het verkrijgen van werk in Nederland. OCAN heeft, met andere instituties, geconstateerd dat de Nederlandse taal een groot struikelblok vormt voor veel Caribische Nederlanders: op school, tijdens een sollicitatie en bij het vinden van arbeid. Werkgevers in Nederland eisen nu eenmaal dat werknemers goed Nederlands spreken.

 Waarom is de Nederlandse taal zo’n groot struikelblok (geworden)?

Antillianen zijn natuurlijk niet dommer dan  andere Nederlanders en het percentage Antilliaanse meisjes van de tweede generatie dat doorstroomt naar HAVO/VWO ligt zelfs veel hoger dan dat van de Nederlandse, autochtone meisjes.

Het onderwerp ‘Taal en taalachterstand’ is echter zeer verhullend, omdat er achter dit thema een grotere problematiek schuilgaat die van politieke en sociale aard is en die dreigt toe te nemen, omdat de ruime faciliteiten die door de Nederlandse overheid in voorafgaande jaren werden verleend aan Antillianen in Nederland gelijkgetrokken gaan worden met die welke zullen worden verleend aan allochtone Nederlanders. Zo staat het in de integratienota van Minister Donner die ik in de loop van dit artikel graag met u wil bekijken om te zien wat voor implicaties de inhoud daarvan heeft voor de Antilliaanse migranten in Nederland. Niet onbelangrijk is ook het feit dat er een andere politieke wind waait op de Antilliaanse eilanden, met name op Curaçao.

 

Maar met die Passaat zullen we ons nu niet bezighouden.

 

Problematiek

In een rapport dat in 2010 aangeboden werd aan de Tweede Kamer (‘Antilliaanse Nederlanders in contact met justitie’)  komt de volgende zin voor: ‘de afgelopen jaren komen er steeds vaker laagopgeleide jongeren vanuit de Nederlandse Antillen naar Nederland. Daarnaast is het percentage schoolverzuim en voortijdig schoolverlaten onder Antilliaanse Nederlanders in het Nederlands onderwijssysteem hoog. Terwijl andere bevolkingsgroepen de laatste decennia met een inhaalslag bezig zijn geweest is de verbetering bij Antilliaanse Nederlanders minimaal’.

 

Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat de jongeren die in aanraking komen met justitie (zo’n 10% van het totale aantal Antilliaanse Nederlanders) een IQ van minder dan 85 hebben, dus zwakbegaafd zijn. De onderzoekers houden er echter ook rekening mee dat deze score beïnvloed kan zijn door factoren als taalachterstand en culturele verschillen. Er is in elk geval sprake van psychische problematiek. De Antilliaanse risicojongeren voeren nog vóór de Marokkanen, Surinamers en Turken de lijst aan van 13 groepen die een rol spelen bij geweldsdelicten, bedreiging, vermogensdelicten met geweld, vernieling en verstoring van de openbare orde. In Rotterdam komt 40% van de Antilliaanse jongeren in aanraking met de politie.

 

In de afgelopen jaren is door de Nederlandse Overheid hier specifiek op de Antilliaanse doelgroep gerichte begeleiding op gezet, maar, volgens de integratienota van Minister Donner, zal dit in de komende jaren worden afgebouwd en zal er een algemene aanpak komen van criminele jeugdgroepen. Wel zal de Nederlandse regering samenwerking blijven zoeken met belangenorganisaties als OCAN om het beleid te laten beïnvloeden en op basis van nieuw inzicht eventueel bij te sturen.

 

Het Nederlands op de Antillen

Het is bekend dat op de ABC eilanden -  met de toename van de bewustwording van eigen Antillianiteit - de moedertaal Papiaments, terecht, aan belang heeft gewonnen en de affectie voor de Nederlandse taal op de eilanden steeds minder is geworden. Het Papiaments is, bijvoorbeeld, op Curaçao als instructietaal op de basisschool ingevoerd. Maar…… zonder dat er  lesmateriaal beschikbaar was gesteld door de Antilliaanse overheid. De kinderen kregen van de Antilliaanse regering, bij wijze van spreken, een Mercedes zonder wielen. En als bijzondere scholen een andere instructietaal wilden, bijvoorbeeld Nederlands of Engels, dan werd dat ook toegestaan door de Curaçaose regering. Ze mochten het zelf uitzoeken. Wat tot de verantwoordelijkheid van een Overheid behoort werd hiermee overgeheveld naar de scholen.

 

Het Nederlands is in de loop der jaren langzaam in de verdrukking gekomen. Onderwijzers en leraren kregen of veinsden uit idealistisch-nationalistische overwegingen een hekel aan het Nederlands en weigerden in sommige gevallen zelfs om Nederlands te spreken tegen hun leerlingen. Dat dit niet in het belang van de leerlingen is geweest moge duidelijk zijn. De consequentie van dit onverantwoordelijke gedrag is dat Antilliaanse jongens en meisjes die naar Nederland kwamen om te studeren opgescheept zaten met een flinke taalachterstand van een paar jaar. Velen van hen zouden in de loop van hun carrière hiervan last blijven houden.

 

Antilliaanse ouders die in de jaren vóór de eeuwwisseling hun kinderen naar de scholen in Nederland brachten waardeerden het bijzonder dat de Nederlandse scholen hun kinderen zo goed mogelijk probeerden op te vangen. Maar de ouders van na de eeuwwisseling, uit het tijdperk Godett c.s., toonden zich vaak veeleisend, weerbarstig en nationalistisch Antilliaans. Ze vonden dat Nederland nu maar eens wat terug moest doen voor al die ellende die de Nederlanders vroeger, tijdens de koloniale periode, hadden aangericht.

 

Dat deze houding niet in het belang van hun kinderen is geweest moge duidelijk zijn.

Bovengeschetste ontwikkeling is in het kader van de politieke veranderingen allemaal wel te begrijpen, maar neemt de conclusie toch niet weg dat de Antilliaanse autoriteiten –tot nu toe - een grote vergissing hebben begaan door passief toe te zien hoe het Nederlands op de Antillen langzaam maar zeker verloederde zonder dat hiervoor iets anders in de plaats kwam. Een pervers soort politiek. De Antilliaanse overheid is om die reden al moreel verplicht om de jongens en meisjes die naar Nederland vertrekken om te studeren een financiële toelage te geven om hun taalachterstand weg te werken. Want, zo lees ik in de integratienota, de Nederlandse regering is niet meer bereid om de kosten van inburgering en het wegwerken van taalachterstanden op zich te nemen. Iedereen zal zelf hiervoor de kosten moeten betalen, Antilliaanse Nederlanders net zo goed als allochtonen. Voor wie dit niet zelf kan betalen zal er het vangnet komen van een sociaal leenstelsel.

 

 

Mentaliteit

De inburgering in de Nederlandse samenleving en de taalcursussen die hiervoor nodig waren zijn in de afgelopen jaren steeds betaald door de Nederlandse Overheid. Je zou zeggen dat ook de Antillianen en Arubanen die een taalachterstand hadden in groten getale hierop afkwamen. Niets was minder waar. Toen Eberhard van der Laan Minister van Integratie was vroeg hij zich af hoe hij samen met de 18 Antillianengemeenten de Antilliaanse Nederlanders enthousiast zou kunnen maken voor een Nederlandse inburgeringscursus. In de eerste helft van 2009 volgden slechts 52 Antillianen en Arubanen de cursus. Dat vond Van der Laan zeer jammer omdat volgens hem de inburgeringscursus een belangrijke bijdrage zou kunnen leveren om een deel van de problemen die Antillianen en Arubanen ondervinden (taalachterstand en gebrek aan kennis van de Nederlandse samenleving) op te lossen. Van de toen ± 130.000 Antillianen en Arubanen had namelijk 25% moeite om aansluiting te vinden bij de Nederlandse samenleving. In 2010 waren er 138.420 Antillianen en Arubanen in Nederland (CBS). En de zaken zijn niet verbeterd.

 

Als je wilt integreren in een samenleving moet je hiervoor moeite doen. In de Nederlandse samenleving wordt er van je verwacht dat je afspraken nakomt, follow-up geeft en verantwoordelijkheid neemt voor je eigen doen en laten. Allemaal eigenschappen die men op de Antilliaanse eilanden vaak alleen kent van horen zeggen.

 

En ook ‘het beheersen van de Nederlandse taal is een essentiële voorwaarde om als actief burger deel te kunnen nemen aan de samenleving’, aldus de integratienota. De tweede generatie migranten heeft het al makkelijker en hanteert gewoon het Nederlands als eerste taal.

 

Contact met belangenorganisaties

In de integratienota wordt duidelijk gesteld dat de kennis en ervaring die in Nederland zijn opgedaan over en met de Antilliaans-Nederlandse jongeren zal worden ingezet om het algemene beleid te ondersteunen. Maar de subsidies voor de samenwerkingsverbanden van minderheden zullen worden stopgezet en de Wet Overleg Minderhedenbeleid zal worden ingetrokken. Daarom zal het werk door vrijwilligers nóg meer aan belang winnen. Het kabinet is van plan dit vrijwilligerswerk te ondersteunen door middel van scholing, coaching en fiscale regelgeving. Het contact tussen overheid en de belangenorganisaties is erop gericht om voeling te houden met wat er in de samenleving c.q. bepaalde groepen leeft, om vast te stellen of het beleid effectief is en om het beleid naar bevind van zaken bij te stellen. Minder geld, niet minder verantwoordelijkheid.

 

Tenslotte

Er zijn dus genoeg redenen aan te wijzen waarom een groot aantal migranten c.q. Arubanen en Antillianen niet slagen in de Nederlandse samenleving. De opvoeding speelt een belangrijke rol (tienermoeders die de opvoeding niet aankunnen en machogedrag tolereren of zelfs aanmoedigen), de woonomgeving is van belang (er wonen veel migranten in een omgeving waar veel werklozen zijn; 25% van alle Antillianen en Arubanen is werkloos), schooluitval, crimineel gedrag en een lage opleiding.

 

Het is niet te hopen dat alle Arubanen en Curaçaoënaars op de eilanden er zo over denken als een goede Curaçaose vriend die drie jaar geleden tegen me zei: ‘Hoe meer van dat soort naar Nederland gaat, hoe liever het ons is’. En hij meende het ook. Van zijn standpunt uit bekeken kon ik me er wel iets bij voorstellen.

 

Samenwerking met de Arubaanse en Antilliaanse overheden is dringend nodig om de taalachterstand waaronder de Antilliaanse scholieren in Nederland gebukt gaan terug te dringen. Zolang de Antilliaanse jongeren nog naar Nederland willen om een opleiding te volgen, zolang zal ook de Nederlandse taal van eminent belang blijven.

 

De verantwoordelijkheid voor een goede integratie (zonder verlies van identiteit, overigens) ligt dus niet alleen op het bordje van de Nederlandse regering.

 

Fred de Haas, 21 juni 2011